Kruidenbestand

Smalle weegbree

Plantago lanceolata

Familie Plantaginaceae

Smalle weegbree botanische illustratie

"Plantago" is afgeleid van "planta pedis", Latijn voor "voetzool", en "ago", "gelijkend op". De naam slaat op de bladvorm van de nauw verwante Plantago major (grote weegbree), waarvan de brede bladeren op een voetzool lijken. Volgens andere bronnen verwijst de naam naar het gebruik van het blad van de grote weegbree in primitief of onaangepast schoeisel, om de voeten meer...

Naam en etymologie

“Plantago” is afgeleid van “planta pedis”, Latijn voor “voetzool”, en “ago”, “gelijkend op”. De naam slaat op de bladvorm van de nauw verwante Plantago major (grote weegbree), waarvan de brede bladeren op een voetzool lijken. Volgens andere bronnen verwijst de naam naar het gebruik van het blad van de grote weegbree in primitief of onaangepast schoeisel, om de voeten meer comfort te geven.

“Lanceolata” komt van “lancea”, Latijn voor “lans, spies, speer”, en betekent “lansvormig” of “lancetvormig”. Het duidt op de langwerpige bladvorm, die ook terugkeert in namen als “smalbladige weegbree”, “smalle weegbree”, “lance-leaved plantain”, “narrow leaf plantain”, “plantain lancéolé” en “Lanzeblättriger Wegerich”. “Weegbree” betekent “wat zich aan de weg breed maakt”, naar de vindplaats van de plant langs wegen. Verschillende namen verwijzen naar de uitgesproken nerven van het blad: “Quinquenervia”, “hondsribbe”, “ribwort”, “ribwort plantain”, “ribgrass”, “ribblegrass”, “Rippenkraut”, “Ripplichrut” en “Aderblatt”.

Synoniemen: Plantago minor, Plantago altissima auct. non L., Arnoglossum lanceolatum Gray, Plantago lancifolia Salisb., “Quinquenervia”, “Costa canina”. Nederlandse volksnamen: smalbladige weegbree, kleine weegbree, weversblad, konijnenblad, ezelsoren, hazenoren, varkensoren, lamstong, hondsribbe, hondstong, mannetjesplantein, ribbe, lange ribbe, vallingkruid, hoestkruid, wondkruid, jeukkruid, insectenkruid, allergiekruid, zwerenkruid, soldatenkruid, blarenkruid, geneesblad, zenuwkruid.

Culinair gebruik

Het vrij bitter smakende jonge blad kan aan salades worden toegevoegd, als spinazie worden bereid of in sauzen en soepen worden verwerkt. De vezelige strengen worden vooraf best verwijderd.

Het zaad kan worden gekookt en gegeten als sago, of worden gemalen en door meel voor brood of gebak worden gemengd.

Het slijmhoudende sap heeft verzachtende, ontstekingswerende en anti-allergische eigenschappen en wordt daarom in cosmetische producten verwerkt, vooral in huidlotions. In een haarwasemulsie is het effectief tegen hardnekkige roos en schilferige hoofdhuid. De plant wordt voor de farmaceutische industrie gekweekt in Hongarije, Bulgarije, Polen en Duitsland.

Geschiedenis

Archeologische vondsten tonen aan dat smalle weegbree 12.000 jaar geleden al als voedselbron werd gebruikt in Koerdistan. In de oudheid pasten onder meer Plinius (23 tot 79 n.C.) en Galenus (131 tot 201 n.C.) de plant toe bij beten van wilde dieren, steken van wespen, bijen en schorpioenen en bij slecht genezende wonden, vooral in de vorm van het sap en het vers gekneusde blad. Ook bij huiduitslag en als kalmerend, rustgevend oogwater verwierf de plant haar plaats in de volksgeneeskunde. Pelgrims gebruikten de bladeren bij verstuikingen en kleine ongemakken.

Hildegard von Bingen (1098 tot 1179) raadde weegbree onder meer aan bij beten van giftige spinnen en andere insecten en bij gezwollen klieren. Paracelsus (1493 tot 1541) leidde uit de signatuurleer af dat de sterke nervatuur van smalle weegbree wijst op een werking op het zenuwstelsel. Dodoens (1517 tot 1585) raadde de plant aan bij slecht helende wonden en verzweringen, het sap bij oorpijn en vermoeide ogen, en de wortel om op te kauwen bij tandpijn. Bij aandoeningen van de luchtwegen kreeg smalle weegbree geleidelijk een vaste plaats: Künzle prees de plant bij hoest en heesheid. Noord-Amerikaanse indianen gebruikten weegbree bij slangenbeten en maalden de zaden tot meel (“Indian wheat”). Tijdens de oorlogen deden weegbreebladen dienst als noodvoedsel in salades en werd de plant soms als veevoeder aangewend.

Typologie

Plantago lanceolata past bij een type mens dat zich staande houdt op plaatsen waar druk, betreding en herhaalde beschadiging de norm zijn. De plant groeit op paden, bermen en tussen straatstenen, precies daar waar overheen wordt gelopen. Dit type herstelt snel, maakt weinig ophef en blijft laag bij de grond in een bladrozet in plaats van in de hoogte te vluchten. De sterk uitgesproken parallelle nerven geven structuur aan een verder zacht en slijmrijk blad: dit type combineert een verzachtende, herstellende houding met een duidelijke innerlijke lijn. Kenmerkend is de gevoeligheid voor prikkeling van buitenaf, met irritatie van huid, luchtwegen en slijmvliezen, allergische overgevoeligheid en een chronisch geïrriteerde, droge hoest. Weegbree hoort bij wie doorgaat na kwetsuur, wonden letterlijk en figuurlijk sluit en de grens tussen binnen en buiten opnieuw dichtmaakt.

Volledige toegang

De volledige kruidenmonografie

Krijg eenmalig toegang tot de medicinale eigenschappen, indicaties, dosering, combinaties, natuurkwaliteiten, contra-indicaties en geraadpleegde bronnen. Elk kruidenbestand is fytotherapeutisch onderbouwd en samengesteld met aandacht voor traditie en typologie.

€39

12 maanden toegang, geen automatische verlenging

  • Toegang tot alle kruidenbestanden, volledig
  • Medicinale indicaties, dosering en combinaties
  • Natuurkwaliteiten en pharmacognostische onderbouwing
  • Doorlopend uitgebreid met nieuwe kruiden