Kruidenbestand

Rode zonnehoed

Echinacea purpurea

Rode zonnehoed botanische illustratie

De geslachtsnaam "Echinacea" is afgeleid van het Griekse "echinos", dat "egel" betekent, en verwijst naar de stekelige bloemkegel in het hart van het bloemhoofd. De Nederlandse naam "Egelkop" en de Duitse naam "Igelkopf" berusten op hetzelfde beeld. De soortaanduiding "purpurea" is Latijn voor "purperkleurig" en slaat op de purperrode lintbloemen. De naam "Rode zonnehoed" verwijst naar de gelijkenis van het...

Naam en etymologie

De geslachtsnaam “Echinacea” is afgeleid van het Griekse “echinos”, dat “egel” betekent, en verwijst naar de stekelige bloemkegel in het hart van het bloemhoofd. De Nederlandse naam “Egelkop” en de Duitse naam “Igelkopf” berusten op hetzelfde beeld.

De soortaanduiding “purpurea” is Latijn voor “purperkleurig” en slaat op de purperrode lintbloemen. De naam “Rode zonnehoed” verwijst naar de gelijkenis van het bloemhoofd met een zonnehoed, doordat de lintbloemen tijdens de bloei gaan afhangen. “Kegelbloem”, “Coneflower” en “Kegelblume” verwijzen naar het kegelvormige hart van de bloem.

Synoniemen: Brauneria purpurea (L.) Britt., Echinacea intermedia Lindl., Echinacea speciosa Paxt., Rudbeckia purpurea L., Rudbeckia hispida Hoffm., Rudbeckia serotina Sweet.

Culinair gebruik

De dikke wortel heeft een scherpe smaak en is eetbaar.

Verder speelt de plant nauwelijks een rol in de keuken. De teelt van Echinacea purpurea is wereldwijd vooral op medicinale toepassing gericht, daarnaast op sierwaarde in de tuin.

Buiten de keuken wordt Echinacea veel verwerkt in huidbalsems en tandpasta.

Geschiedenis

Noord-Amerikaanse indianenstammen, vooral de Sioux en de Delaware, gebruikten Echinacea, voornamelijk E. angustifolia en E. pallida, bij slangen-, honden- en insectenbeten, om etterende wonden te wassen en bij koorts, en kauwden op de wortel bij tandpijn en keelpijn. De arts H.C.F. Meyer leerde de plant in 1870 kennen via de Pawnee indianen en bracht in 1871 het eerste commerciele echinaceaproduct op de markt. Van 1916 tot 1950 stond Echinacea in het U.S. National Formulary en was zij in het begin van de twintigste eeuw het meest gebruikte immuunstimulerende en ontstekingswerende kruid in de medische praktijk. In Europa werd vooral E. purpurea verbouwd, omdat de introductie van E. pallida en E. angustifolia mislukte. Madaus bevestigde rond 1920 de werking op ontstoken wonden en vanaf 1939 volgde Duits onderzoek; Vogel maakte de plant bekend als weerstandsverhogend kruid. Vanaf 1970 werd zij op grote schaal in Europa gecultiveerd en in 1986 verviervoudigde de verkoop.

Typologie

Echinacea purpurea past bij een type mens dat naar buiten toe stevig oogt maar van binnenuit onvoldoende afweer opbouwt: iemand die telkens opnieuw infecties oploopt, traag herstelt en wonden slecht dichttrekt. De plant zelf is winterhard, droogtebestendig en vormt een dichte, stekelige bloemkegel als afgrensbaar centrum, met een korte, stevige wortelstok. Dat beeld weerspiegelt het thema: grensbewaking en herstel van de eigen omtrek. De werking is niet gericht tegen één ziektekiem maar verhoogt de algehele paraatheid, wat past bij een type dat niet gebaat is bij bestrijding van symptomen maar bij het opnieuw op peil brengen van het eigen afweervermogen. Discontinu gebruik hoort bij dit beeld: de weerstand moet wakker gehouden worden, niet permanent aangedreven.

Volledige toegang

De volledige kruidenmonografie

Krijg eenmalig toegang tot de medicinale eigenschappen, indicaties, dosering, combinaties, natuurkwaliteiten, contra-indicaties en geraadpleegde bronnen. Elk kruidenbestand is fytotherapeutisch onderbouwd en samengesteld met aandacht voor traditie en typologie.

€39

12 maanden toegang, geen automatische verlenging

  • Toegang tot alle kruidenbestanden, volledig
  • Medicinale indicaties, dosering en combinaties
  • Natuurkwaliteiten en pharmacognostische onderbouwing
  • Doorlopend uitgebreid met nieuwe kruiden